Overweging van John Smeets uitgesproken tijdens de Don Bosco viering op zondag 2 februari

SCHIPPERSCENTRUM NIJMEGEN –

Overweging bij VIERING Don Boscofeest – 2 FEBRUARI 2020

 

Zoals u gehoord hebt, wordt vandaag het feest van Maria Lichtmis gevierd. Dit feest wordt gevierd 40 dagen na Jezus’ geboorte, 25 december. De Kerk heeft iets met het getal 40! Zoals u weet duurt de voorbereidingstijd op het Paasfeest, Jezus opstanding uit de dood, ook 40 dagen. Ik ben geen bijbelgeleerde, maar ik vermoed dat dit voortkomt uit de Joodse tradities, waaruit ons christendom voortkomt. Maria Lichtmis is strikt genomen geen Mariafeest. Het accent ligt niet op Maria, maar op Licht. De evangelist Lucas vertelt het ontroerende verhaal over Simeon, de goede en godvruchtige man, die de ingeving kreeg om naar de tempel te gaan om daar op zijn oude dag het LICHT te zien: de Heiland, de Messias. En Lucas legt hem de woorden in de mond: Laat me, Heer, nu maar gaan, ik ben gerustgesteld, ik weet nu dat het goed gaat komen… Tja, of het goed gaat komen, ’t is maar hoe je het bekijkt. Nu, twee duizend jaar later weten we dat heel veel niet goed is gegaan. I never promised you a rosegarden… Deze tekst is hier van toepassing. Maar tegenover oorlogen, massamoorden, ziektes en natuurgeweld staan ook veel positieve feiten. Dank zij heel veel mensen die het LICHT hebben gezien, ook geïnspireerd op bijbel en christendom. Niet alleen Simeon heeft het LICHT gezien!

Een voorbeeld van mensen die het Licht hebben gezien is de figuur van een man die in 1815 geboren werd in Noord Italië, in de buurt van Turijn. Hij heette Giovanni Bosco (bij ons zou hij Jan van den Bosch heten).  Hij stierf op 31 januari 1888. Zijn sterfdag, eergisteren dus ook weer, wordt elk jaar feestelijk herdacht.

Giovanni werd geboren op het platte land, in een doodarm gezin, zoals de meeste mensen daar destijds. Zijn ouders hadden een lapje grond en een paar koeien en toen pa Bosco stierf (Jan was pas twee jaar) bleef moeder Margarita achter met drie zonen en moest ze zien rond te komen met het weinige dat hun boerderijtje opbracht. De jonge Jan Bosco was heel intelligent en daarom zat hij, als hij op het vee moest passen, graag te lezen; hij las elk boek dat hij kon krijgen. Moeder M. gunde haar jongste zoontje dat hij kon studeren, maar er was geen school in de buurt. De meeste kinderen gingen dan ook helemaal niet naar school. Maar Jan kon terecht bij de plaatselijke pastoor die al gauw in de gaten had welk slim en intelligent vlees hij in de kuip had. Jan bleek een alleskunner: niet alleen goed studeren, maar ook sportief, twee rechterhanden, handig en een geboren leider. Na enkele jaartjes moest de pastoor Jan dan ook doorsturen naar een andere pastoor, hij kon hem niets meer leren en via die pastoor kwam Jan terecht op een college in de naburige stad Chieri. Hij besloot priester te worden.

Turijn ontwikkelde zich in die tijd tot een grote industriestad. De stad trok daarom werkzoekenden aan van heinde en verre. Die moesten voor een hongerloontje werken en leefden onder slechte omstandigheden. Lange werktijden, ongezonde werk- en woonsituaties. Dat werkte criminaliteit, alcoholisme en prostitutie in de hand. Al tijdens zijn opleiding zag Jan dat, in tegenstelling tot andere priesters, die niets met het plebs, dat vieze volk, te maken wilden hebben. Na zijn priesterwijding in 1841, toen Giovanni Bosco Don Bosco was geworden, ging hij zich inzetten voor de verwaarloosde jongens van Turijn. Hij bezocht ze op hun werk, organiseerde activiteiten en bood de daklozen (en die waren er veel) onderdak. Geholpen door zijn moeder bood hij bed, bad en brood, zoals we nu zouden zeggen. Aanvankelijk moest hij opboksen tegen vijandigheid en tegenwerking. Andere geestelijken, maar ook het gemeentebestuur en werkgevers, vonden het aanvankelijk maar niks dat die kapelaan optrok met dat uitschot en halve criminelen; ze dachten zelfs dat hij de bevolking wilde opzetten tegen het gezag. Hij werd bespioneerd, er werden aanslagen op hem gepleegd en zelfs wilde men hem laten opnemen in een psychiatrische inrichting. Maar dank zij een enorm optimisme en vertrouwen op de voorzienigheid (je zou kunnen zeggen dat hij het LICHT had gezien, dat hij verLICHT was),  organiseerde hij ook onderwijs, vooral technisch onderwijs zodat zijn jongens niet alleen aangewezen zouden zijn op ongeschoolde arbeid. Dat kostte natuurlijk heel veel geld, maar Bosco vond altijd manieren om aan geld te komen. Hij deed een beroep op rijken, op bisschoppen en op ministers. En geleidelijk aan vond hij de nodige waardering en ondersteuning. Minister Ratazzi en de Paus adviseerden hem een religieuze congregatie op te richten, met als doel de zorg voor de verwaarloosde jeugd. Al gauw had hij helpers om zich heen en veel van die medewerkers, vaak ook leerling geweest, traden toe tot die nieuwe Congregatie, die de naam kreeg van salesianen van Don Bosco. De naam salesiaan verwijst naar de H. Franciscus van Sales, voor wie Don Bosco veel respect had. De nieuwe congregatie groeide in korte tijd uit tot een reusachtige organisatie. Niet alleen in

Umberto Eco

Italië, maar ook in Europa en in de andere werelddelen. En overal werden scholen en internaten opgericht en geleid door salesianen. Overal waar de salesianen zich vestigden verrezen (jongens)internaten. Meestal waren aan die internaten scholen en opleidingen verbonden. U kent misschien de Italiaanse schrijver Umberto Eco, bekend van zijn boek De naam van de roos. Umberto Eco heeft zijn middelbare school gevolgd op een college van de salesianen en hij vertelt daarover in interviews en het boek De mysterieuze vlam van koningin Loana. Het gaat om een deels autobiografisch werk.

 

Ik ken de salesianen van jongs af aan. Ik ben geboren en naar de lagere school geweest in Lauradorp in de gemeente Landgraaf. Lauradorp was een parochie van de salesianen. Het dorp werd vanaf 1925 gebouwd voor de mijnwerkers van de steenkolenmijnen Laura en Julia. Voor de zielzorg van het nieuwe dorp haalde het bisdom de salesianen, in Nederland nog onbekend, maar men had in het buitenland, in Frankrijk, België, Duitsland, waar de salesianen al werkzaam waren, gezien dat ze de salesianen moesten hebben voor het werk onder de arbeidersjeugd. Ik bezocht bijna dagelijks het jeugdwerk dat geleid werd door priesters en broeders van de salesianen. Mijn kameraadjes en ik hebben heel veel profijt gehad van dit werk: we leerden met elkaar om te gaan, er was een jongenskoor, we speelden toneel, er werd getafeltennist en gevoetbald enz. Na de lagere school gingen veel klasgenootjes naar de Uloschool, die door de salesianen was opgericht; ik zelf ging naar het kleinseminarie van de salesianen in Ugchelen, later in ’s-Heerenberg, met de bedoeling om ook salesiaan te worden. Daar werd ik een klasgenoot van jullie aalmoezenier pater Bernhard. Op een gegeven moment heb ik voor een andere richting gekozen, niet voor het priesterschap. Ik ben in het sociaal-cultureel werk terecht gekomen, in Landgraaf en Heerlen. Daar heb ik in arbeidersbuurten buurtopbouwwerk verricht. We stimuleerden de buurtbewoners om zelf de handen uit de mouwen te steken. “Het gaat zo slecht met deze wereld, omdat zoveel goede mensen niets doen”, was het motto. Voor de houding en gereedschappen die ik daarbij nodig had, kon ik een beroep doen op veel dat ik bij de salesianen had geleerd.

 

Mensen die succes hebben krijgen regelmatig de vraag: hoe doe je dat? Het jeugd- en onderwijswerk van de salesianen had opvallend veel succes. Dus Don Bosco kreeg die vraag ook. Hoe doe je dat? Wat is je methode? Tja, antwoordde hij dan: mijn ideaal is dat mijn pupillen goed burger worden en goed christen; in het Italiaans: “buon citadino e buon christiano”. En hoe doen we dat: het belangrijkste is dat we de jeugd, de mensen, laten ervaren dat we om ze geven, dat we er zijn voor hen en dat we door altijd bij ze te zijn voorkomen dat ze al te veel fouten maken. De salesianen noemen dat de preventieve methode.

Afgezien van het kleinseminarie in Ugchelen / ’s-Heerenberg, kenden de salesianen in Nederland internaten (ook juvenaten genoemd) in Leusden, Rijswijk (Z.-H.), Rotterdam en in Lauradorp. Aan het juvenaat van Leusden was een technische school verbonden. Ik praat nu in de verleden tijd. Er zijn nog maar weinig salesianen in Nederland. Het werk dat men deed is overgedragen aan anderen, als het althans nog bestaat. De tijden zijn veranderd. Zo is het jeugdwerk van Lauradorp destijds overgedragen aan leken en voor de kerk van Lauradorp wordt een andere bestemming gezocht, net zoals voor veel andere kerken die niet meer worden gebruikt.

 

Maar, om af te sluiten: terug naar het LICHT, dat de oude Simeon zag, tot zijn geluk. Dwars door de vele donkere periodes die de geschiedenis heeft gekend, periodes van oorlogen en massamoorden, van uitbuiting, massale sterfte door ziektes en natuurgeweld, zien we gelukkig de gestaltes van velen die LICHT  hebben gebracht. Giovanni Bosco is daar één van. En onder zijn volgelingen zien we eveneens vele lichtbrengers. Om enkele Nederlanders te noemen die geboren zijn niet ver hier vandaan: Frans van Galen uit Nijmegen en Jan Elsakkers uit Breda: zij hebben hun leven gedeeld met de melaatsen in Agua de Dios, Colombia. Pater Laurens Bohnen uit Susteren: hij heeft zich ingezet voor de armsten in het arme Haïti. Hij bouwde scholen en gaf de leerlingen te eten: spek en bonen. En pater Frans Schlooz uit Venlo, die duizenden Indiërs, arme sloebers, zoals hij zelf zei, opvang bood en eten en kleding. En Jan Finkers uit Geesteren en Herman Feddema uit Zevenaar, die in Venezuela hun blijde boodschap hebben verkondigd onder de Indianen.

 

Dat licht, hetzelfde licht dat Simeon zag, heeft ontelbaren zicht gegeven op een beter leven. Ik wens ons allen toe dat ook wij nu en dan een licht mogen zijn voor anderen.

2 februari 2020

John Smeets